Frans woordenschat
Luisteroefening La Morphologie
tall & short man
la taille grootte
grand / grande grote
petit / petite kleine

Il mesure 1 mètre 76.
Het meet 1 meter 76.

le poids gewicht
lourd / lourde zware
léger / légère lichte

Vous pesez combien?
/
Quel est votre poids?

Wat is je gewicht?

Elle pèse 60 kilos.
Ze weegt 60 kilo.

 

la carrure het midden
maigre mager
mince dunne
émacié uitgehongerd
trapu gezet
musclé gespierd
charpenté robuust
bien bâti goed gebouwd
carré
Expressions

Mince!
-a more acceptable way of expressing "merde".

Il est maigre comme un clou.
Het is zo dun als een spijker.

gros / grosse grote, dikke
obèse zwaarlijvig
l'obésité f. f. Obesitas
grassouillet / grassouillette mollig
joufflu mollig
potelé mollig

Elle a pris cinq kilos.
Het duurde vijf pond..

l'apparence verschijning, uiterlijk
un crapaud amoureux
beau / belle mooie, mooi
la beauté schoonheid
mignon / mignonne schattig
attirant / attirante aantrekkelijke
joli leuk
laid / laide lelijk
la laideur lelijkheid
vilain / vilaine Ondeugend
moche
quelconque geen

La beauté pour un crapaud c'est sa crapaude.
De schoonheid is zijn pad een pad.


Delen