Słownictwo języka polskiego
Zoogdieren
mysz
szczur
gryzonie
pułapka na myszy
wiewiórka
czipmunk
królik
jeleń
jeleń
rogi
łania
jelonek
baran
łoś
wilk
wycie
wilczę
lis
niedźwiedź
niedźwiedziątko
nietoperz
skunks
tygys
dzik
stado wilków
kret
de muis
de rat
de knaagdieren
de muizenval
de eekhoorn
de aardeekhoorn
het konijn
het hert, de ree (fem)
de hertenbok, de bok
het gewei
de hinde, de damhinde
het reekalf, het hertenkalf
de ram
de eland
de wolf
huilen
het wolvenwelp
de vos
de beer
het berenjong
de vleermuis
het stinkdier
de tijger
het wilde zwijn, het everzwijn, het zwijn
de wolventroep
de mol