Engels woordenschat
The Body
arm
been
de oksel
de tepel
de navel
de borstkas, borst
de buik, de maag, de pens (informal)
de pols
de dij
de knie
het hoofd
de nek, de hals
de hand
de duim
de wijsvinger
de middelvinger
de ringvinger
de pink
de handpalm
de vinger
de nagel
de knokkel
de voet
de hiel
de voetboog
de tenen
de grote teen
de enkel
de schouder
de elleboog
de bil
de hamstring
de kuit
het achterwerk, het zitvlak
de rug
het schouderblad
de voetzool
de heup
arm
leg
armpit
nipple
navel, bellybutton
chest
abdomen, stomach
belly informal, tummy informal
wrist
thigh
knee
head
neck
hand
thumb
index finger
middle finger
ring finger
little finger, pinkie
palm
finger
fingernail
knuckle
foot
heel
arch
toes
big toe
ankle
shoulder
elbow
buttocks
hamstring
calf
behind, butt
back
shoulder blade
bottom of foot
hip