Koreaans woordenschat
arm
been
de oksel
de tepel
de navel
de borstkas, borst
de buik, de maag, de pens (informal)
de pols
de dij
de knie
het hoofd
de nek, de hals
de hand
de duim
de wijsvinger
de middelvinger
de ringvinger
de pink
de handpalm
de vinger
de nagel
de knokkel
de voet
de hiel
de tenen
de grote teen
de enkel
de schouder
de elleboog
de bil
het achterwerk, het zitvlak
de rug
het schouderblad
de voetzool
de heup
다리
겨드랑이
젖꼭지
배꼽
가슴
손목
허벅지
무릎
머리
엄지손가락
집게손가락
가운데손가락
약지손가락
새끼손가락
손바닥
손가락
손톱
손마디
발 뒤꿈치
발가락
엄지발가락
발목
어깨
팔꿈치
엉덩이
엉덩이
날갯죽지
발바닥
엉덩이