Koreaans woordenschat
가축
de stier
de staart
de hoef
de hoorn
het gesnuif (noun)
het neusgat
de koe
de uier
boe (sound)
het kalf
de mest
de kudde
de os
de ezel
de geit
het lam, lammetje (often dimminutive)
de kippen
de haan
het gekraai (noun)
de kip, de hen, de hoen
het gekakel (noun)
het kuiken
het varken
de snuit
het geknor (noun)
de zeug
de big
het gekrijs (noun)
het schaap
de wol
de kudde schapen
het lam
de herder
de staf
het paard
het gehinnik (noun)
geknor
de hengst
de merrie
de pony
het hoefijzer
het zadel
황소
꼬리
발굽
♬ 콧방귀를 뀌다
(Description)
콧방귀를 뀌다
젖소(Milk cattle)
음매♬
송아지
무리, 떼
수소 (male cattle)
당나귀
염소
아기 염소
수탉
꼬끼오, 꼬꼬꼬꼬♬
(Neutral sound)
암탉
꼬꼬댁, 꼬꼬꼬꼬♬
(Neutral sound)
병아리
돼지
주둥이
꿀꿀♬
암퇘지
아기 돼지
꽥꽥♬
양털, 양모
양 떼
아기 양
양치기
지팡이, 막대기
히히힝♬
말 숨소리
종마
암말
조랑말
편자
안장