Holandština slovník
Boerderijdieren
býk
ocas
noha (zvířete)
kopyto
roh
šňupat
kráva
vemeno
bučet
tele
hnůj
stádo
vůl
osel
hýkání
koza
kuzle
kuřata
kohout
vrána
slepice
kdákat
kuřátko
prase
čenich
chrochtat
prasnice
sele
kvičet
ovce
vlna
stádo ovcí
jehně
zaměstnanci
kůň
ržání
hřebec
kobyla
poník
podkova
sedlo
třmen
de stier
de staart
de poot
het been (of a horse) (neutral)
de hoef
de hoorn
het gesnuif (noun)
snuiven
het neusgat
de koe
de uier
boe (sound)
loeien (verb)
het kalf
de mest
de kudde
de os
de ezel
het gebalk (noun)
balken (verb)
de geit
de bok (m.)
het lam, lammetje (often dimminutive)
de kippen
de haan
het gekraai (noun)
kraaien (verb)
de kip, de hen, de hoen
het gekakel (noun)
kakelen (verb)
het kuiken
het varken
de snuit
het geknor (noun)
knorren (verb)
de zeug
de big
het biggetje (often diminutive) (neutral)
het gekrijs (noun)
krijsen (verb)
het schaap
de wol
de kudde schapen
het lam
de herder
de staf
het paard
het gehinnik (noun)
hinniken (verb)
geknor
de hengst
de merrie
de pony
het hoefijzer
het zadel
de stijgbeugel