Słownictwo języka polskiego
Boerderijdieren
byk
ogon
noga
kopyto
róg
parskanie
nozdrze
krowa
wymię
muczenie
cielę
łajno
stado
wół
osioł
ryczenie
koza
koźlę
kury
kogut
pianie
kura
gdakanie
pisklę
wieprz
ryj
kwik
maciora
prosię
pisk
owca
wełna
stado owiec
jagnię
pasterz, pastuch, owczarz
laska
koń
rżenie
parsknęcie
ogier
klacz
kucyk
podkowa
siodło
strzemię
de stier
de staart
de poot
het been (of a horse) (neutral)
de hoef
de hoorn
het gesnuif (noun)
snuiven
het neusgat
de koe
de uier
boe (sound)
loeien (verb)
het kalf
de mest
de kudde
de os
de ezel
het gebalk (noun)
balken (verb)
de geit
de bok (m.)
het lam, lammetje (often dimminutive)
de kippen
de haan
het gekraai (noun)
kraaien (verb)
de kip, de hen, de hoen
het gekakel (noun)
kakelen (verb)
het kuiken
het varken
de snuit
het geknor (noun)
knorren (verb)
de zeug
de big
het biggetje (often diminutive) (neutral)
het gekrijs (noun)
krijsen (verb)
het schaap
de wol
de kudde schapen
het lam
de herder
de staf
het paard
het gehinnik (noun)
hinniken (verb)
geknor
de hengst
de merrie
de pony
het hoefijzer
het zadel
de stijgbeugel