Frans woordenschat
le jardin
de hark
de schoffel
de schop, de spade
de heggenschaar
het schepje
de tuinman
de gieter
de bloempot
de tuinslang
de sproeier
de grasmaaier
het schuurtje, het tuinhuisje
het zaad
het zakje zaad
het kiemplantje
het bloemperk, het bloembed
de moestuin, de groentetuin
de grendel
het hek
de poort
de muur
le râteau
la houe
la pelle
la cisaille
la bêche
le jardinier
la jardinière (f.)
l'arrosoir
le pot
le tuyau d'arrosage
l'arroseur
la tondeuse (à gazon)
la remise à outils
la graine
le paquet de graines
la pousse
le parterre
le potager, le massif
le loquet
la clôture
la porte
le mur