Engels woordenschat
Camping
tent
stake
rope
sleeping bag
hammock
cabin
map
compass
directions
west
south
east
north
campfire
smoke
spark
embers
lantern
flashlight
torch
canteen
binoculars
trail
backpack
ice cooler
log
axe
hatchet
stump
fishing pole
reel
fishing line
bait
lure
hook
net
thermos
de tent
de haring, de tentharing
het touw, het & de koord (braided) (n&f), de draad (m)
de slaapzak
de hangmat
de blokhut
de kaart
het kompas
de windrichtingen
het westen
het zuiden
het oosten
het noorden
het kampvuur
de rook
de vonk
de sintels, de kooltjes (often diminutive)
de lantaarn, de gaslamp (f)
de zaklamp
de fakkel
de veldfles
de verrekijker
het pad
de rugzak
de koelbox
de boomstronk
de bijl
de handbijl
de stronk
de vishengel, de hengel
de molen
de vislijn
het aas
het lokmiddel, het lokaas
de (vis)haak
het (vis)net
de thermos, de thermosfles, de thermoskan