Engels woordenschat
Plants
de boom
de schors
de stam, de boomstam
de wortels, de boomwortels
het blad
de tak
de twijg
de eikel
de bloem
de klimplant
de cactus
de stekel, de cactusstekel
de varen
de palm, de palmboom
het palmblad
de pijnboom, de grove den
de dennennaalden
de dennenappel, de denappel
het gras
de grasspriet
de waterlelie
het riet, de lisdodde (f)
het bamboeriet, het bamboe
de roos
het bloemblad, het kroonblad
de doorn
de stengel
de paddenstoel
tree
bark
trunk
roots
leaf
branch
twig
acorn
flower
vine
cactus
spine
fern
palm
palm frond
pine tree
pine needles
pinecone
grass
blade of grass
water lily
reeds, cattails
bamboo
rose
petal
thorn
stem
mushroom