Spaans woordenschat
las plantas
de boom
de schors
de stam, de boomstam
de wortels, de boomwortels
het blad
de tak
de twijg
de eikel
de bloem
de klimplant
de cactus
de stekel, de cactusstekel
de varen
de palm, de palmboom
het palmblad
de pijnboom, de grove den
de dennennaalden
de dennenappel, de denappel
het gras
de grasspriet
de waterlelie
het riet, de lisdodde (f)
het bamboeriet, het bamboe
de roos
het bloemblad, het kroonblad
de doorn
de stengel
de paddenstoel
el árbol
la corteza
el tronco
la raíz
la hoja
la rama
el brote
la bellota
la flor
la enredadera
el cactus
la espina
el helecho
la palmera
la hoja de palma
el pino
la aguja de pino
la piña
la hierba
la brizna de hierba
el nenufar
los juncos
el bambú
la rosa
el pétalo
la espina
el tallo
el hongo