Frans woordenschat
les plantes
de boom
de schors
de stam, de boomstam
de wortels, de boomwortels
het blad
de tak
de twijg
de eikel
de bloem
de klimplant
de cactus
de stekel, de cactusstekel
de varen
de palm, de palmboom
de pijnboom, de grove den
de dennennaalden
de dennenappel, de denappel
het gras
de grasspriet
de waterlelie
het riet, de lisdodde (f)
het bamboeriet, het bamboe
de roos
het bloemblad, het kroonblad
de doorn
de stengel
de paddenstoel
l'arbre (m.)
l'écorce (f.)
le tronc
les racines (f.)
la feuille
la branche
la brindille
le gland
la fleur
la vigne
le cactus
l'épine (f.)
la fougère
le palmier
le sapin
les aiguilles de pin (m.)
la pomme de pin
l'herbe (f.)
le brin d'herbe
le nénuphar
les roseaux (m.)
le bambou
la rose
le pétale
l'épine (f.)
la tige
le champignon