Japans woordenschat
植物
de boom
de schors
de stam, de boomstam
de wortels, de boomwortels
het blad
de tak
de twijg
de eikel
de bloem
de klimplant
de cactus
de palm, de palmboom
het palmblad
de pijnboom, de grove den
de dennennaalden
de dennenappel, de denappel
het gras
de waterlelie
het riet, de lisdodde (f)
de roos
het bloemblad, het kroonblad
de doorn
de stengel

き<br>ki
樹皮
じゅひ<br>juhi

みき<br>miki

ね<br>ne

は<br>ha

えだ<br>eda
小枝
こえだ<br>koeda
ドングリ
doNguri

はな<br>hana

つる<br>tsuru
サボテン
saboteN
ヤシの木
やし の き<br>yashi no ki
ヤシの葉
やし の は<br>yashi no ha
松の木
まつのき<br>matsunoki
松葉
まつば<br>matsuba
松かさ, 松ぼっくり
まつかさ, まつぼっくり<br>matsukasa, matsubokkuri

くさ<br>kusa
睡蓮
すいれん<br>suireN
アシ
ashi
バラ
ばら<br>bara
花弁
はなびら<br>hanabira
とげ
toge

くき <br>kuki