Frans woordenschat
la mer

la plage
le sable
la vague
le raz de marée
le maître nageur
le gilet de sauvetage
la bouée de sauvetage
l'île (f.)
la baie
le phare
la piscine
le plongeoir
l'éclaboussure (f.)
le radeau
le maillot de bain
les lunettes de natation (f.)
la bouée
le plongeur
le réservoir d'oxygène
le masque
le tuba, le tube respiratoire
les palmes de plongée (f.)
le régulateur
la combinaison
het strand
het zand
de golf
de vloedgolf
de redder
het reddingsvest
de reddingsboei
het eiland
de baai
de vuurtoren
het zwembad
de duikplank
de plons
het luchtbed
het badpak, het zwempak
de zwembril
de boei
de duiker
de zuurstoffles
het zuurstofmasker, het duikmasker
de snorkel
de zwemvliezen
de regelaar
het duikpak, het surfpak, de wetsuit (m)