La digestione
il fegato
il pancreas
l'esofago
lo stomaco
l'intestino crasso
l'intestino tenue
l'ano
il retto
l'intestino (sing)
le viscere (pl)
le budella (pl)
la stitichezza
la diarrea
andare di corpo, defecare
(verb)
il gas
la scorreggia (informal)
il peto (m)
scorreggiare (informal)
fare aria
le feci (formal) / la cacca (informal)
l'escremento
defecare
la cacca (informal)
la merda (coarse word)
la saliva
lo sputo
salivare
sputare
Il mio stomaco brontola. Ho fame!
Per favore non sputare sul marciapiede.
ruttare / fare un rutto
ruttare/ fare un rutto
singhiozzare / avere un singulto
avere il singhiozzo
digerire
l'indigestione
avere la nausea
nauseato
acidità / bruciore di stomaco
Ho mal di stomaco
ha la nausea / è disgustata
vomitare
rigettare
Mi sento male. Penso che vomiteró.
de lever
de pancreas
de slokdarm
de maag
de dikke darm
de dunne darm
de anus
het rectum, de endeldarm
de darmen
de ingewanden
de constipatie, verstopping
de diarhee
de ontlasting, de stoelgang
de winderigheid, winderig zijn
een wind laten
het scheetje
poepen
het speeksel, de spuug
de fluim
kwijlen
spugen
mijn maag rommelt
de oprisping
de hik
boeren
de hik hebben
een oprisping hebben
verteren
indigestie
onpasselijk (vrouwelijk)
maagzuur
misselijk zijn
een maag hebben die van streek is.
Zij voelt zich misselijk
overgeven
braken
Ik voel me niet lekker. Ik denk dat ik ga overgeven.
Deze film is waardeloos